Honderd jaar woningbouw rond de Brasserskade.
fotoboek onderaan de tekst
Tekst: Ruud van Heusden
De Indische Buurt ontstond honderd jaar geleden rond de Brasserskade met de bouw van sociale huurwoningen in de toen nieuw aangelegde Javastraat en de Borneostraat. In de jaren daarna zou de buurt uitgroeien tot een pluriforme samenleving aan de rand van Delft. Dat honderd jarig bestaan is een mooie aanleiding om op de ontwikkelingen van dat “buitengewest” terug te kijken. We doen dat met dit artikel, verdeeld over verschillende hoofdstukken. Het ontstaan, de inrichting, de woningbouw, voorzieningen, kerk, scholen, industrie in de wijk, de middenstanders. het sociale leven in de wijk en andere zaken. Wij beginnen bij het begin, het ontstaan van de Indische Buurt.
Ontstaan van de buurt
Met aan weerszijden boerenland en boerderijen. De Brasserskade was tot 1930 een tolweg.
De naam Brasserskade stamt van Govert Brasser Dirkz, telg uit een oud Delfts bierbrouwersgeslacht.
In 1631 kocht hij de kade van de burgemeesteren van Delft.
Door de toenemende industrialisatie had Delft behoefte aan werkvolk. En dat werkvolk aan betaalbare huurwoningen. En die waren er rond 1900 niet voldoende. De landerijen rond de Brasserskade waren in de ogen van het Delftse bestuur een aantrekkelijk uitbreidingsgebied maar lag wat afgelegen. De afstand naar het centrum was ver om te lopen. Er waren maar twee mogelijkheden. Of via de Oostsingel naar de Koepoortbrug of via de oude Reineveld draaibrug die uitkwam tegenover de Delftse Oliefabriek/Calvé en dan lopen via het Kalverbos naar het centrum.
De in 1919 in gang gezette volkshuisvesting rond de Brasserskade werd in 1931 meer aantrekkelijk voor de nieuwe en toekomstige bewoners door de komst van de nieuwe Reineveldbrug, in de volksmond “Trambrug” genoemd.
Straatnamen
Gemeentebesturen zijn nooit zo creatief en origineel geweest in het bedenken van namen van straten voor een buurt of wijk. In veel gemeenten zijn buurten waar de straten vernoemd zijn naar staatslieden, zeehelden, bomen en stadhouders. Sinds 1869 zijn er in meer dan 90 Nederlandse gemeenten Indische buurten ontstaan waar de straten zijn vernoemd naar eilanden uit het voormalige Nederlands Indië.Maar voordat de gemeente Delft die geplande Indische buurt kon opstarten rond de Brasserskade, moest dat gebied eerst nog Delfts eigendom worden. Het Delft van 100 jaar geleden was ruwweg gelegen tussen het Rijn-Schie kanaal en de stadsgracht aan de Phoenixstraat. Dat Delft van toen was volgebouwd met deels verkrotte woningen. Na lang onderhandelen slaagde Delft er in 1921 in om de kleine aangrenzende buurtgemeenten Hof van Delft (alles achter de Phoenixstraat, van Westerkwartier tot Agnetapark) en Vrijenban (nu Indische buurt, Bomenwijk, Heilige land en verder tot aan de Delfgauwseweg) te verwerven.
De Indische buurt werd o.a. van de Bomenwijk gescheiden door De Rubberstichting, opgericht in 1936 en het buitengesticht van de psychiatrische inrichting Sint Joris (kortweg “het Joris” genoemd), gebouwd in 1895 met zijn portierswoning aan de Oostsingel. Thans GGZ Delfland. Al in 1600 was er sprake van een Dolhuis in Delft.
Wijk in opbouw
![]() |
| Bouwtekeningen |
De eerste bebouwingen van de Brasserskade waren in opdracht van particulieren of aannemers die huizen bij oplevering verkochten of verhuurden. Dat is goed te zien aan de weinig uniforme bouwstijl en verspringende daklijnen in het eerste deel van de Brasserskade.
Het tweede deel van de Brasserskade, richting rijksweg, was gemeentelijke woningbouw.
Eind 19e eeuw begin 20e eeuw nam de industrialisatie ook in Delft grote vormen aan en hadden die bedrijven behoefte aan veel werkvolk. In die tijd waren gerenommeerde werkgevers de Nederlandse Kabel Fabriek, de Nederlandse Gist en Spiritus Fabriek, de Lijm en Gelatinefabriek, Calvé, Braat, de Verenigde glasfabriek, machinefabriek Reineveld maar ook sinds 1842 de Koninklijke Academie, nu Technische Universiteit.
Hierdoor ontstond grote behoefte aan voldoende woningen om al die mensen te huisvesten. Ruimte die er met de dan bestaande gemeentegrenzen onvoldoende was.
Op 1 januari 1921 werden de buurgemeenten Hof van Delft en Vrijenban opgeheven en verdeeld onder Delft, Schipluiden en Pijnacker. Door deze “annexatie” van grote delen van de buurgemeenten ontstond er ruimte voor uitbreiding van de woningbouw.
Wettelijke regeling
Het aannemen van de Woningwet van 22 juni 1901 was voor de volkshuisvesting een heel belangrijke mijlpaal. De wet opende mogelijkheden om aan de erbarmelijke woningtoestanden paal en perk te stellen. Toestanden waar gemeenten tot die tijd niet verantwoordelijk voor waren. Gemeenten kregen vanaf 1901 de taak zich planmatig te gaan bemoeien met de woningbouw. Vanaf dat moment kwam er structuur in de bouw voor woningen voor de werkende klasse. In de jaren aan het begin van de 20e eeuw was het een landelijke trend dat de slechte woonomstandigheden van het werkvolk werden aangepakt door het oprichten van woningbouwverenigingen voor sociale woningbouw in de huursector. Ook in het oude centrum van Delft kwamen deze slechte woonomstandigheden veelvuldig voor, zelfs tot ver in de 20e eeuw, voorbeelden zijn onder andere de Pieterstraat en de Donkerstraat. In Delft werden tussen 1907 en 1917 zes woningbouwverenigingen opgericht, uiteraard ieder met haar eigen signatuur in het verzuilde Nederland.Voorzieningen in de wijk
In de jaren 20 waren landelijk vooraanstaande stedenbouwkundigen voorvechters voor goede volkshuisvesting, zoals Wibaut, Dudok en Berlage, actief om bij het ontwerpen van woningen volop aandacht te besteden aan hygiëne, riolering en scheiding van het slaap en woongedeelte.Ter illustratie, rond 1900 leefde ongeveer de helft van de bevolking in éénkamerwoningen. Men sprak in die dagen pas van overbevolking als er zes of meer personen in die eenkamerwoning woonden. In die ene overbevolkte ruimte werd niet alleen gewoond, maar ook gestookt, gekookt, gegeten, gewassen, gewerkt en geslapen.
Voor de verbetering van de hygiëne werden toen in veel arbeiderswijken badhuizen gebouwd door de gemeenten omdat de woningen nog geen badkamer, laat staan een douch hadden. De eerste bebouwing van de wijk bevatte nog geen badhuis. Er was geen geld voor of ook de gemeente Delft was toen nog niet overtuigd van de noodzaak hiervan. Toch had dit onderwerp op dat moment veel aandacht binnen de Nederlandse gemeenten.
Zonder een badhuis volstonden de mensen met het gebruik van een waslap in de keuken en voor de kleinsten de wekelijkse wasbeurt in het teiltje. Het is de vraag of ook dit wel wekelijks plaatsvond want er waren tal van mensen die dachten dat je met al dat wassen de beschermlaag van je lichaam af haalde. Het is opmerkelijk dat in 1934 het bouwplan Ternatestraat tot en met Madoerastraat van koopwoningen zonder badkamer weer geen badhuis bevatte en dat de gemeente bij het afgeven van de nodige vergunningen hier niet op heeft aangedrongen. In het ontwerp waren voldoende mogelijkheden om een badhuis te plannen.
De gemeente had in 1928 aan Het Verlaat een buitenzwembad en een badhuis laten bouwen. Blijkbaar vond de gemeente de afstand van bijvoorbeeld de Lombokstraat naar Het Verlaat niet te ver om de wekelijkse wasbeurt te ontmoedigen. We hebben het over een periode dat de Sint Jorisweg nog moest worden aangelegd (aanleg 1958).
Woningbouw

Het opstarten van grote woningbouwprojecten was de eerste jaren na het oprichten van de verschillende woningbouwverenigingen nog niet aan de orde. De bestuurders waren over het algemeen weinig ervaren en ook de gemeente moest nog wennen aan deze nieuwe gesprekspartners en hun opvattingen. Daarnaast verkeerde de Nederlandse economie in slechte omstandigheden als gevolg van de Eerste Wereldoorlog in de ons omringende landen.
Niet duidelijk is waarom geen van de net opgerichte woningbouwverenigingen begin jaren 20 het initiatief nam tot sociale woningbouw rond de Brasserskade. Misschien was de bewonersgroep wel te divers en sloot het niet aan bij de strikt gescheiden achtergronden van de leden van de verschillende verenigingen. In andere buitenwijken namen die verenigingen wel initiatieven.
De eerste woningbouwprojecten rond de Brasserskade, zoals de Sumatrastraat, Lombokstraat en Javastraat werden daarom door de gemeente Delft zelf opgestart in 1918 door de nieuw ingestelde dienst stadsontwikkeling. Op dit voor de gemeente net verworven stuk gemeentegrond werd in fasen de bouw van circa 200 woningen gepland met dan huurprijzen van 4 tot 6 gulden per week.
Vervolgplan
Weer een aantal jaren verder in de tijd en in de eisen die aan woningen werden gesteld, bouwde de bekende Delftse aannemer Van der Berg en Van der Klis het complex van straten tussen de Ternatestraat en de Madoerastraat. Dit met als opzet dat deze huizen bij oplevering aan particulieren zouden worden verkocht. Deze huizen waren duidelijk een slag groter dan de bouw uit de jaren 20 rond de Sumatrastraat. De wijk werd begrensd door een singel aan de Madoerastraat. Aan de overkant van die singel tot aan de oprijlaan naar de psychiatrische inrichting Sint Joris (toen gewoon aangeduid als “gekkenhuis”) lag het land waar boer “kiespijn” zijn koeien had lopen. Hij werd boer kiespijn genoemd omdat hij altijd met een doek om zijn hoofd liep. De eerste strook weiland aan de overkant van de Madoerastraat had hij verhuurd als volkstuintjes voor de buurtbewoners.Tegelijker tijd werden er voor die tijd uiterst luxe woningen gebouwd in het blok van de Insulindeweg tot aan de Schie/Oostsingel met o.a. de Timorstraat en de Molukkenstraat. Deze huizen hadden vanaf de bouw al de luxe van een badkamer en een (kolengestookte) centrale verwarming. Een enorme grote grijze machine die een deel van de keuken in beslag nam.
In 1961 werd aan dit deel van de buurt, aan de Balistraat, de eerste en enige flat gebouwd. zeven etages, aan de voet van de Reineveldbrug. De bouw ging wel ten koste van de daar aangelegde rolschaatsbaan en speelplek voor de jeugd.
Begin jaren 60 werd het land tegenover de Madoerastraat tot aan de oprijlaan van het Sint Joris Gasthuis ook bebouwd. Het deel tussen Minahassastraat en de Bonairestraat werd bebouwd met etagewoningen, vooral bedoeld voor wat nu seniorenwoningen wordt genoemd. Dit tegelijk met de bouw van het bejaardencentrum Huize Monica.
De samenstelling van de wijk
De samenstelling van de Indische Buurt bestond grofweg uit vier bevolkingsgroepen met ieder zijn eigen cultuur en omgangsvormen. De verschillen waren groot maar toch heeft het nooit geleid tot botsingen. De groepen leefden grotendeels langs elkaar heen. De weinige gemeenschappelijke elementen waren de kerken, de scholen en de winkels.Groep één waren de grotendeels ongeschoolde arbeiders die het zware en vuile fabriekswerk deden. Zij woonden in de eerste woningbouwoplevering na de eeuwwisseling van Lombokstraat tot Javastraat. De meer geschoolde arbeiders en kantoorpersoneel vestigden zich in het blok Ternatestraat /Madoerastraat. De middenstanders en hoge ambtenaren bevolkten de luxe huizen tussen Insulindeweg en de Oostsingel plus de zuidkant van de Bonairestraat. De senioren in het jongste deel van de wijk, tussen de Minahassastraat en de Bonairestraat.
Voorzieningen
![]() |
| de komst van aardgas |
Warmte, voedsel en kleding werden door de ruim vertegenwoordigde middenstanders aangeboden. Sommige typen winkels waren oververtegenwoordigd, waardoor de gemeente in enkele gevallen heeft ingegrepen. De inkomsten van deze winkeliersgroepen moet minimaal zijn geweest. En vaak gevestigd in de voorkamer van het toch al niet grote woonhuis. Dit laatste vooral aan de Brasserskade. Met de ontwikkeling van het tweede deel van de Indische buurt werden ook een aantal winkels gepland in de Ternatestraat. Winkels die ook voldeden aan de eisen van de warenwet er aan stelde en voldoende vierkante meters bevatten om een volwaardig aanbod aan producten te bieden. Een winkeltype dat in de periode tussen de jaren 20 en de jaren 60 de grootste omwenteling heeft doorgemaakt is de kruidenier annex waterstokerij. In de wijk waren die vooral gevestigd aan de Brasserskade. Vaak was een heetwater stokerij tevens brandstoffenhandel. Ook gaspenningen werden er verkocht. Het hete water, dat gewoonlijk per emmer werd geleverd maar soms ook in grotere hoeveelheden, gebruikte men voor de was. Het alternatief was om zélf het water te koken in een wasketel. De maandag en dinsdag waren de drukste wasdagen, maar ook op zaterdag, de bad dag voor de kinderen, werd veel heet water verkocht. Sjouwen met een emmer heet water met een dweil er overheen om te voorkomen dat het water er overheen klotste maar ook tegen het afkoelen.
Aardgas
De komst van het aardgas en geisers in de jaren zestig maakte abrupt een einde aan deze vorm van dienstverlening. In plaats van water moeizaam op een op hout of kolen gestookt fornuis aan de kook krijgen in een ketel, was warm water dankzij de geiser nu in elk huishouden in onbeperkte hoeveelheden beschikbaar. Niet alleen om kleding te wassen of het beperkte serviesgoed te reinigen maar zelfs om de lichamelijke hygiëne naar een hoger pijl te brengen. Kortom de komst van het aardgas was de doodsteek van de waterstokerij. Een waterstokerij die vaak gecombineerd werd met een kruidenierswinkel(tje). En juist in de jaren 60 was er ook de opkomst van de filialen van landelijke levensmiddelenwinkels zoals Albert Heyn, De Gruyter, Spar, Simon de Wit etc.Eind jaren 60 telde de wijk nog maar drie kruideniers, de Spar van Rontberg aan de Brasserskade, de Coöp op de hoek van de Ternatestraat met de Bankastraat en Bazuin in de winkelgalerij aan de Ternatestraat.
Verdere ontsluiting
De Indische Buurt wordt in 1958 verder ontsloten door de aanleg van de Sint Jorisweg. Tot die tijd kon je alleen in het centrum komen via de Oostsingel of de “Trambrug”. Met de opening van de Jorisweg kwamen het badhuis en de katholieke Mariaschool ook ineens een stuk dichterbij.Wat ook bijzonder was dat je vanaf de Jorisweg zicht kreeg op grote delen de psychiatrische inrichting. Men zag nu de patiënten bezig met buitenactiviteiten. Activiteiten onder leiding van weinig geschoolde begeleiders waarvan er velen in de Indische buurt woonden. De meest in het oog springende arbeidstherapie was het voortdurend verplaatsen van de “gekkenberg”. Een enorme berg aarde werd door versufte mannen in blauwe werkpakken afgegraven. De aarde werd vervoerd in houten kruiwagens die de mannen in een loom tempo voortduwden. Sommige patiënten waren zover weg dat ze met de kruiwagen op zijn kop achter zich aan liepen. De begeleiders lieten dat gewoon gaan. Twee honderd meter verder werden de kruiwagens omgekiept op een nieuw te bouwen berg. De berg werd behoorlijk hoog en er kwamen loopplanken aan te pas om de top te bereiken. En u begrijpt het al; als de ene berg helemaal was afgegraven en de andere opgebouwd, begon men in de omgekeerde richting te werken. Jaar in jaar uit. Bezigheidstherapie voor psychiatrische patiënten anno 1960.
De Indische Buurt in Delft: de eerste levensbehoeften
De middenstanders
Een uitputtende, maar vast niet volledige, lijst van middenstanders in de wijk rond de jaren 60 volgt hieronder. Deze winkeliers bepaalden mede het unieke karakter van deze wijk. Middenstanders die bijna allemaal zijn verdwenen door de schaalvergroting van de supermarktketens maar ook door de vergrote mobiliteit van de bewoners; bijna iedereen heeft nu een auto.Brasserskade rechterzijde, de even nummers.
Boerderij van de familie Loos: verkoop van losse melk en zoon Koos had zijn melkwijk, Plaat: smid, Van der Meer: groentewinkel hoek Borneostraat, Plank: rijwielhandel en reparatie, Van Karsen: sigarenwinkel, Van Hulst: bakker, Fahrner: herenkapper met slechts één model, bloempot, Rijling: kruidenier, later Leo Rontberg, zoon van Bram, hoek Selebesstraat, Voort: trefpunt van de wijk met zijn patatwinkel, hoek Bankastraat, Dijkstra: slager op de andere hoek Bankastraat, Waayer: kaasfabriek aan het einde van de Brasserskade richting snelweg.
Brasserskade linkerzijde, de oneven nummers: Bodehuis Mulder, Hoogendam: waterstokerij, steenkolenhandel en kruidenier, Sigarenwinkel Peeters, hoek Borneostraat, Winkelhal tegenover Voort met o.a. Heederik Levensmiddelen, Vader Bram Rontberg waterstokerij, Zoon Leo speelgoedwinkeltje, Pex groentehal, Leeflang levensmiddelen, later Bram Rontberg. Hoek Bankastraat, Van Baarlen/garage de Bras, auto, caravanhandel en bezinepomp aan de weg, Van de Boogert, waterstokerij en brandstoffenhandel,
Speeltuin, naast garage De Bras, achter de woonhuizen.
Ternatestraat: M. Berkhout nr 44 bakker. Later Bierhuizen. Lokale ondernemer met meerdere winkels. N. Den Hollander nr 42 slager. J. Vuijk nr 40 dames en herenkapper. Knipte ook op de vliegbasis Ypenburg. G. Kras nr 38. Gerard Kras opent de sigarenwinkel in 1936. Later komt daar ook nog het postagentschap bij. Na zijn overlijden in 1960 neemt zijn zoon Henk de zaak over. Op 73 jarige leeftijd sluit hij de zaak in 2011. J. Ruigrok nr 36, Riek runt de melkwinkel en Sjaak doet het venten in de wijk. Later overgenomen door de familie Zuidgeest die al een ambulante kaashandel hadden. J. van Kampen nr 34, verf, schoonmaakartikelen, winkel van Sinkel. Mien in de winkel, Sjaak schildersbedrijfje met pakhuis in de Boeroestraat. Verhuurde een ruime fietsenstalling voor de bewoners van de bovenwoningen in de Ternatestraat. Hij had daar ook veel duiven en kippen. Bazuin nr 32, Kruidenierswaren. Lokale familie met drie winkels. Gingen als een van de eersten over op zelfbediening.
Aan de overkant: D. Dogger nr 107, groentewinkel “De Goedkope Hoek” links van de kerk. Coop “Vooruit” nr 111 levensmiddelen. Rechts van de kerk. Coöperatieve vereniging met meer dan 125 jaar geschiedenis. Doel levensmiddelen voor een redelijke prijs en goede kwaliteit voor fabrieksarbeiders.
Voorin de Ternatestraat, richting Vrijenbanselaan: Rechts bakkerswinkel Nieuwland-Post, met de bakkerij aan de lange Geer. De winkel werd later overgenomen door de Rotterdamse bakkerijketen Van der Meer en Schoep. De bakkerijketen die landelijke bekendheid kreeg met de reclame voor King Corn brood van Japie.
Links het sigarenmagazijn van Arnoldus Matteus van Riet. Officieel adres Vrijenbanselaan 2. Geopend in februari 1935. Na zijn overlijden in 1965 voortgezet door Jan Driessen tot 1979.
Op de hoek met de Floresstraat nog twee winkels.
Op nummer 10 het manufacturenwinkeltje van de familie Mark; weinig klandizie.
En op nummer 8 drogisterij “de Lelie” van J. Bruggeman, een druk bezochte winkel.
Overige middenstanders in de wijk. Schoonmaakbedrijf Cemsto aan de Vrijenbanselaan, tussen Javastraat en Ternatestraat. Waar Henk van der Beek, schrijver van stukjes over vroeger in de Delftse Post, jarenlang bedrijfsleider was. Fietsenhandel en benzinepomphouder Wijtman, later Bakker, ook tussen Javastraat en Ternatestraat. Met zijn werkplaats aan de Madoerastraat 2. Kruidenierswinkel(tje) van Van Logchem hoek Javastraat met de Vrijenbanselaan.
Melkhandel de Vreede, hoek Timorstraat. Zoon Niek reed zijn melkwijk en deed dat bewust met paard en wagen.
Het sociale leven
De wijk telde twee kerken. De Katholieke Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen (OLVOO) kerk in de Ternatestraat. De kerk had 180 zitplaatsen en werd in februari 1934 ingezegend. In 1966 weer gesloopt om plaats te maken voor bejaardenwoningen. Een nieuwe kerk werd iets verderop gebouwd, aan de Arubastraat. De Christelijke Bethlehemkapel werd pas in 1957 gebouwd in het nieuwe deel van de Floresstraat. Om te integreren -een woord dat toen nog onbekend was- in de buurt nam de kerk al snel het initiatief om een handarbeidclub op te zetten voor de buurtjeugd. In de ruim bemeten kelders van de kerk konden kinderen van alle gezindten komen teken, kleien, figuurzagen en dergelijke. De club heette dan ook “Het gebroken zaagje”.
En natuurlijke voor elke geloofsstroming een eigen school.
Katholiek, de Mariaschool. Sinds 1934 als dependance in openbare school aan de Brasserskade. En vanaf 1950 een eigen plek aan de Tweemolentjeskade. Christelijk, School met de Bijbel, aan de Brasserskade 89 I. en de openbare lagere school, Genestet, een Nederlandse dichter en theoloog in de 19e eeuw, aan de Brasserskade 89 II. Beiden scholen werden opgeleverd in 1925.
In 1960 vestigde de protestants christelijke MAVO Koningin Juliana zich aan de Jorisweg, direct naast de basis en kleuterschool Bernadette Mariaschool. Later fuseerde deze school met het Mondriaan College, gevestigd op het oude terrein van de Reinveldfabrieken. Door schaalvergroting werd deze vestiging gesloten rond 1985. Het gebouw plus de achterliggende oude gebouwen van de Rubberstichting werden begin jaren 90 omgevormd tot een uiterst luxe wijkje met woningen en appartementen uit het hogere segment.
![]() |
| Het parochiehuis |
Parochiehuis aan de Archipellaan. Op de hoek van de Archipellaan en Boeroestraat stond tot halverwege de jaren 60 een houten gebouwtje dat eigendom was van de RK kerk. We zouden het nu een multifunctioneel gebouw noemen.
Overdag gebruikte de RK kleuterschool het jarenlang als bewaarschool voor de allerkleinsten. De kleuterscholen kregen pas in 1955 een wettelijke basis. Ook het consultatiebureau maakte gebruik van het gebouwtje. Het gebouwtje had zelfs een kleine verhoging dat dienst deed als toneel.
Op de zaterdagavonden was er een jeugdsoos waar bandjes optraden. Een van die bandjes was Delfts Blue, de voorganger van Tee-Set.
En één avond per week oefende er de RK drumband Victoria, opgericht in 1958. Instructeur en tamboer-maitre was Harry Damen. Tijdens nationale feestdagen trok men al trommelend en blazend door de wijk. En luilak was hun feestje, dan mochten ze met toestemming in alle vroegte de hele wijk wakker schudden. Op verzoek werden er ook aubades gebracht aan jubilarissen.
Toen de kerk halverwege de jaren 60 het terrein en het gebouwtje verkocht, kwam er ook een einde aan de vele activiteiten die daar plaatsvonden. Op het terrein verrezen enkele karakterloze bungalows.
Speeltuin Brasserskade.
Direct naast garage de Bras was een grote omheinde speeltuin. De beheerder was de heer Rozenburg die ook direct voor de speeltuin woonde op het rijtje huizen richting snelweg, op nummer 119. Later werd hij opgevolgd door mevrouw Hartjesveld, “tante Sjaan” die een paar huizen verder woonde. Een heerlijke veilige speelplek en ook een ontmoetingsplaats voor de moeders uit de buurt.
Sportpark Brasserskade.
De sportvelden aan de andere kant van de snelweg behoren niet tot de Indische Buurt.Maar schrijven over de Brasserskade in de Indische buurt zonder DHC te noemen kan haast niet.
Het sportpark was door de gemeente aangelegd in 1958. DHC was de laatste die naar die plek verhuisde. In 1960 kreeg de club de beschikking over een voor die tijd ultramodern stadion met een capaciteit van 18.000 plaatsen, de “Delftse Kuip”.
Al in 1955 had de club besloten deel te nemen aan het profvoetbal in Nederland. Met wisselend succes werd aan het Laantje van Vollering (naast Van der Lee) gespeeld in de eerste en tweede divisie.
De verhuizing werd een succes, deels door de resultaten op het veld in de 1e divisie en deels door de toegenomen bezoekerscapaciteit. Bij de thuiswedstrijden was het hectisch op de Brasserskade. De Delftse supporters kwamen lopend, op de fiets of met de brommer. De bussen en personenauto’s van de bezoekende clubs werden geparkeerd op de Jorisweg, Brasserskade en Ternatestraat.
Een van de hoogtepunten uit de prof geschiedenis van DHC was het halen van de finale om de KNVB beker in het seizoen 1961/1962. Die werd verloren met 1-0. Dat Spartaanse doelpunt werd notabene gescoord door Piet van Miert, dan wonend in de Indische buurt.
De KNVB wilde het aantal profclubs terugdringen en dwong in 1966 DHC tot een fusie met Xerxes uit Rotterdam. Het jaar daarop eindige de club zelfs op de zevende plaats in de eredivisie. Twee jaar lang kwamen hier tegenstanders als Ajax, Feyenoord en al die andere illustere namen op bezoek.
Aan de kant van DHC voetbalden bijvoorbeeld Wim van Hanegem, Eddy Treytel en onze eigen Hans Dorjee. Andere Delftenaren uit de selectie waren Wim Tetteroo, Thijs Kwakkernaat, Ed Blok, Aad de Bruyn en Chris Kronshorst. Trainer was de Duitser Kurt Linder die na het faillissement van Xerxes/DHC in 1968 naar PSV ging.
DHC ging verder als amateurclub en werd in 1983 en 1985 landskampioen bij de zondagamateurs eerste klasse onder trainer Guus Haak en voorzitter Jan Dijkman.
Industrie in de buurt
Naast de aanwezigheid van de grootschalige vooroorlogse industrieën van de glasfabriek en Reineveld creëerde de gemeente in 1950 in het kader van de wederopbouw een fraai complex van kleinschalige bedrijfspanden aan de Surinamestraat. Op het braakliggende terrein tussen de glasfabriek en de Schie werd in een halve cirkel 10 identieke bedrijfspanden gebouwd. Met op de 1e etage onder de schuine kap ruime voor kantoor en tekentafels en op de begane grond steeds 280 m2 werkplaats. Het waren vooral metaalbedrijven die er gebruik van maakten. Enkele namen zijn Klava en de werkplaats van Asepta. Het leverde veel levendigheid op. Kort daarna vestigde ook TNO zich nog op het laatste stukje ongebruikte grond naast de Reineveldbrug.
Machinefabriek Reineveld, vernoemd naar de eerdere uitspanning op die plaats, werd opgericht in 1894 en ging failliet in 1974. De fabriek maakte vooral centrifuges voor industriële wasmachines.
In 1972 kocht het Delftse transportbedrijf Van der Lee het leegstaande terrein en de opstallen van de oude glasfabriek; officieel de N.V. Flesschenfabriek "Delft" v/h Boers & Co. In 1971 werd de productie van de glasfabriek overgeheveld naar Schiedam. Het transportbedrijf verwierf hiermee 30.000 m2 oppervlakte die in gebruik werd genomen om het gestaag groeiende wagenpark te huisvesten en om ook aan goederenoverslag te kunnen doen.
Van der Lee was in 1919 begonnen als slepersbedrijfje en vestigde zich in 1927 op een oud tennisveld aan het Laantje van Vollering. In 1962 verhuisde het bedrijf naar de Mercuriusweg.
De behoefte aan ruimte was niet te stillen. Ook niet op het terrein van de oude glasfabriek. Toen de bedrijfspanden aan de Surinamestraat in verval raakten, werden enkele units opgekocht, gesloopt en toegevoegd aan het parkeerterrein.
De laatste jaren was de Surinamestraat regelmatig in het nieuws doordat de gemeente de opvang van dak- en thuislozen verplaatst had naar één van de nog bestaande units. De buurt vreesde voor overlast.
Overlast
Over overlast gesproken. De kwaliteit van het drinkwater en de buitenlucht zijn niet altijd op het gewenste niveau geweest in de Indische buurt. Om met de kwaliteit van het drinkwater te beginnen. Dat drinkwater betrok de gemeente Delft van het drinkwaterbedrijf Rotterdam. De zuiveringsinstallaties waren begin jaren 60 niet meer in staat water te produceren dat 100 % gezond was. Je kon er gemakkelijk diarree van krijgen. Om dat te voorkomen deden de Rotterdammers een scheutje chloor door het water dat geleverd werd, wat de smaak niet ten goede kwam. Den Haag en Rijswijk betrokken hun drinkwater uit de zuiveringsinstallaties die in de duinen bij Kijkduin en Wassenaar stonden. De zuivering daar ging op een veel natuurlijker wijze en gaf ook water met de smaak die water moet hebben. Het Shell laboratorium aan de Broekmolenweg kreeg zijn drinkwater uit Den Haag. Al snel verschenen buurtbewoners met emmers en jerrycans bij de portier om te vragen of ze water mochten tappen voor een smaakvolle kop thee of koffie. Niet lang daarna liet Shell direct buiten de poort een apart tappunt plaatsen. Later heeft de gemeente Delft op meerdere plaatsen in Delft van dat soort tappunten ingericht. Verbeterde technieken maakte later een einde aan het gesleep met drinkwater.En dan de stank en het vuil in de lucht. Vooral bij zuidwesten wind of windstil weer had de Indische buurt last van de stank van het gistingsproces bij het kroonjuweel van de vooruitstrevende ondernemer Jacques van Marken ofwel de Gist en Spiritusfabriek. Tot de jaren 70 werd het gist (gisten zijn schimmels die gebruikt worden bij het maken van brood) geproduceerd/gekweekt in houten bakken. De dampen die daarbij vrijkwamen gaven een geur af die sterk deed denken aan pindakaas. Vandaar dat Calvé vaak ten onrechte de schuld kreeg van de overlast. Ook hier werd het probleem weer opgelost door de voortschrijdende techniek. Nadat het kweken van gisten in stalen bakken werd uitgevoerd, kwamen er geen onaangename dampen meer vrij.
Het vuil in de lucht, de vette roetdeeltjes, hadden we te danken aan de kolenstook op grote schaal van “de Gist” en van Calvé maar ook de tuinders uit het Westland. De bedrijven genereerde hun eigen stoom en elektriciteit door kolenstook op grote schaal. En ook hier weer; wanneer de wind verkeerd stond, konden de huisvrouwen hun wasgoed wel binnen halen en de volgende dag hun ramen zemen om de gevolgen van deze energiebehoefte ongedaan te maken.
Deze ongemakken verdwenen als sneeuw voor de zon met de komst van het nu zo verguisde aardgas.
Terugkijkend op honderd jaar bewoning
Een buurt vol leven leven.
De WSM bus, winkels en een haringkar in de Ternatestraat
De Bras als geuzennaam
In deze terugblik verdient de Brasserskade speciale aandacht. Rond de Brasserskade is de hele wijk ontstaan maar er is meer aan de hand met de Brasserskade. Als kade tegen het water had het al een historie van honderden jaren. Na de bebouwing met woningen vanaf ongeveer 1900 is het ook een leefgemeenschap op zich geworden. Verschillende typen huizen, verschillende type gezinnen met soms markante namen en veel verschillende middenstand. Ook in latere jaren is het een straat gebleven die nog vaak van zich deed spreken. Rond oudejaarsnacht stond de Bras letterlijk in de brand. Vandaar ook dat de Brasserskade de geuzennaam “De Bras” terecht verdient.De Bras heeft tal van spraakmakende personen voortgebracht. We noemen er slechts enkele. Albert Smink, in de hele wereld, binnen Delft, bekend als Appie de Lorrenboer. “Dames zijn uw mannen al weg? Tal van dit soort kreten schalden door de straat als Appie binnen reed. Tijdens de zomeravonden reed hij nog met een Jaminwagen ijs door de wijk. Pierre van Zinnen, voetballer en trainer uit een echt voetbalgezin. Een man die blijkbaar nooit somber was. Zelfs niet toen het onvermijdelijke duidelijk werd. 1955-2016. Abraham Rontberg, middenstander in hart en nieren 1903-1957. Pater familias van tal van generaties Rontbergen die actief zijn geweest op de Brasserskade en later in medialand.
![]() |
| Pierre van Zinnen |
![]() |
| Appie Smink |
![]() |
| Abraham Rontberg |
Grote verschillen
Een opmerkelijke buurtbewoner van een andere categorie bewoners van de Indische Buurt was professor Herman Duparc, 1918-2002, hoogleraar theoretische en toegepaste wiskunde. Bewoner van een pand in het nieuwe deel van de Insulindeweg. Duparc zorgde in december 1980 voor grote opschudding door mee te werken aan zijn eigen ontvoering. Een ontvoering die achteraf een studentengrap bleek te zijn maar dagenlang door de politie en de universiteit erg serieus werd genomen. Een wettelijk voorgestelde wijziging in de studie indeling aan de universiteit stuitte op grote tegenstand van studenten. Duparc was juist een groot voorstander van het voorstel. De excentrieke Duparc schrok er niet voor terug om zijn mening ronduit wereldkundig te maken.Na afloop hebben de drie “ontvoerders” en het “slachtoffer” nog voor de rechter moeten verschijnen voor hun “onverantwoord gedrag”.
Een andere representant van het gegoede deel van de wijk was Joop Korte, mede-eigenaar van Vroom en Dreesman Delft. Hij liet in 1953 op de hoek van de Insulindeweg en de Oostsingel een zeer opvallende witte villa bouwen met het uiterlijk van een stuurhut, wat associaties opriep met de schepen die zijn huis passeerden.
Tussen deze witte villa en villa Maria, in de bocht van het Rijn-Schiekanaal, worden bij Koninklijke begrafenissen de kanonnen opgesteld van de Rijdende Artillerie. Vanaf het moment dat de Koninklijke stoet Delft binnenrijdt aan de Brasserskade tot aan het betreden van de Nieuwe Kerk vuren elke minuut de kanonnen van het korps Gele Rijders (het oudste onderdeel van de landmacht) hun saluutschoten af als laatste militaire groet aan de overledene. Deze bulderende schoten zijn dan over heel Delft te horen.
Terugkijkend
Door de toenemende welvaart zijn de verschillen tussen de sociale klassen in de wijk verkleind. De scheidslijnen zijn wat vervaagd. De gelijke onderwijskansen hebben daar ook zeker aan bijgedragen.Wel is de buurt een slaapwijk geworden door het wegtrekken van de kleine middenstanders, door de verworven mobiliteit van de bewoners en het verder oprukken van landelijke supermarkten.
Ook de verkeersstop aan het einde van de Brasserskade, richting snelweg en Nootdorp, heeft al het doorgaande verkeer uit de wijk gebannen. Als een van de weinige wijken in Delft is de Indische buurt gespaard gebleven van de overheersende aanwezigheid van studenten. Hierdoor is in de buurt de nodige overlast en irritatie door studentengedrag uitgebleven. Helaas hebben latere middenstanders, vooral cafés en eetgelegenheden, het nodig gevonden hun gevel wit te schilderen. Alsof er schimmel op zit. Een mooi actiepunt voor het buurtcomité. Misschien heeft de gemeente nog wel een subsidiepotje leefbaarheid waaruit het zandstralen van die gevels betaald kan worden.
Een blik op de sites van de huizen makelaars toont aan dat alle typen huizen in de Indische Buurt nog zeer gewild zijn. Een teken dat de bewoners van vroeger en nu het nog niet zo slecht hebben gedaan in “hun” buurtje.
Deze artikelenreeks geschreven als hommage aan de buurt waarin ik ben opgegroeid.
Persoonlijk reageren kan naar rvanheusden@planet.nl
fotoboek Indische Buurt Delft
![]() |
| De gele tram. Dit model actief geweest van 1923 tot 1960 |
![]() |
| Boeroestraat rond 1936 |
![]() |
| De stadsboerderij van de familie Loos |
![]() |
| Henk Voort in zijn snackbar |
![]() |
| sfeerplaatje van de Bras |
![]() |
| De bezinepomp van garage De Bras |
![]() |
| Middenstanders in hart en nieren: boven Henk en Truus Kras, onder Leo Rontberg |
![]() |
| Drumband Victoria, marcherend in de Ternatestraat |
![]() |
| Het parochiegebouw(tje) aan de Archipellaan |
![]() |
| De Genestetschool aan de Bras |
| De Bethlehemkapel aan de Floresstraat |
![]() |
| hoek Boeroestraat met Archipellaan rond 1940 |
![]() |
| Brasserskade rond 1940 |
![]() |
| Molukkenstraat, hier nog zonder flat op de achtergrond en links de oprit naar de Reineveldbrug |
![]() |
| De enige flat in de buurt; aan de Molukkenstraat |
![]() |
| Floresstraat, oude deel |
![]() |
| sfeerplaatje Insulindeweg met rechts nog net een deel van huize Monica |
![]() |
| het fraais aan de Insulindeweg |
![]() |
| Portiekwoningen in de Ceramstraat |






































Wat ontzettend leuk om in Den Helder al die foto's te zien met allemaal bekende plekjes en bekende mensen. Want wie kende de familie Kras niet? Vanaf mijn 12e jaar kwam ik bij de familie van mijn schoolvriendin op de Brasserskade. Van 1976 tot 2007 heb ik in de Floresstraat gewoond. Mijn opa is 100 jaar geleden gestart met de oprichting van Firma Van der Lee & zonen. En ik kwam vaak op het terrein van Van der Lee, omdat mijn vader daar werkte tot zijn pensionering en later nog klusjes deed. Sweet memories.
BeantwoordenVerwijderenIk ben zelf opgegroeid in de Bankastraat vanaf 1957 tot 1980 heel herkenbaar. Als beheerder van de FB pagina Brassserskade zeg ik ga zo door. Ik ben ook bezig met een onderzoek van de bewoners van de buurt erg interessant
BeantwoordenVerwijderenIk ben zelf opgegroeid in de Bankastraat vanaf 1957 tot 1980 heel herkenbaar. Als beheerder van de FB pagina Brassserskade zeg ik ga zo door. Ik ben ook bezig met een onderzoek van de bewoners van de buurt erg interessant
BeantwoordenVerwijderenWat ontzettend leuk om te lezen en te zien. Ik groeide op in deze wijk (1975-1987). Eerst op de korte Bras en later in de Sumatrastraat.
BeantwoordenVerwijderen